De VERSCHRIKKELIJK SLECHTE SITE VAN
MERLIJN KERKHOF

Kerkhof interviewt Kerkhof

‘Is identitaire lobotomie de snelste weg naar geluk?'


Utrecht, 8 april 2026 – Voor het eerst sinds de geboorte van zijn tweede zoon heeft Merlijn Kerkhof (39) tijd voor een interview met zichzelf.


‘Sorry dat het zo lang duurde’, zegt hij in zijn woning in de eerste gegentrificeerde wijk van Utrecht, net buiten de singel. ‘Het kindje werd 5,5 weken te vroeg geboren. Ik moest twee lezingen afzeggen, een hard gelag. Omdat mijn vriendin omwille van de privacy niet wilde dat ik op sociale media zou zetten dat we een kindje hadden gekregen, had ik op Facebook slechts een foto van het ziekenhuis geplaatst met de mededeling dat de lezingen niet doorgingen. In plaats van felicitaties kreeg ik allemaal berichten van mensen die dachten dat ik open tbc had of een heupoperatie moest ondergaan. Enfin, het kindje is gezond en wonderschoon.’


Hoe is het om met een kinderwagen door Utrecht Wittevrouwen te lopen?
‘Niet te doen. Je kunt eigenlijk nooit meer dan vijftien meter aan een stuk over de stoep lopen, want overal staan fietsen – bak-, elektrisch, you name it. De Wittevrouwenbewoners zetten hun eigendommen ook niet strak tegen de muur aan (voortuinen komen in deze voormalige volkswijk niet voor, red.): het is hun stoep en jij mag blij zijn dat je je om hun fietsen heen manoeuvreren mag. Op de hoek van de Bekkerstraat en de Palmstraat heeft iemand pontificaal z’n scooter neergezet, echt op die hoek, alsof de eigenaar voor optimale hindernis wil zorgen.’


Je speelt nu gitaar in de band van je vader, The Amazing Stroopwafels. En dat combineer je dan met je baan als redacteur klassieke muziek bij de Volkskrant. Wat knap! Wat een uitersten!
‘En wat bijzonder moet het zijn dat je dit met je vader kunt doen! Ik heb er een reportage over geschreven voor de krant, daar staat alles in.’


In november verscheen je boek De 82 componisten die je moet kennen. Vorige maand kwam de vierde druk binnen.
‘Ja, grandioos succes. Terecht.’


Voor wie is het boek?
‘Het is voor iedereen die benieuwd is naar klassieke muziek en op zoek is naar overzicht. Het is een spoedcursus aan de hand van 82 favoriete componisten. Ik heb het in de eerste plaats geschreven voor de aanstaande liefhebber die geen tijd te verliezen heeft, maar ik verwacht ook de al overtuigde luisteraar iets te kunnen bieden. Ik weet dat dit type boek vaak wordt gekocht door mensen die wel degelijk enige kennis hebben vergaard. In mijn eerste boek richtte ik me heel specifiek op mijn generatiegenoten, maar kreeg ik vooral reacties van zeventigplussers.


‘Dat is goed. Klassieke muziek is iets waarvoor je tijd moet maken, en als twintiger heb je wel wat anders aan je hoofd, dan moet je gewoon zoveel mogelijk meisjes zien te versieren; tegenwoordig moet dat met apps, heel omslachtig. En als je eenmaal kinderen hebt, kun je wel een oppas regelen, maar ben je veel te moe voor een avondje Concertgebouw met gedimd licht.’


Je probeert dus lezers met verschillende instapniveaus aan te spreken. Hoe doe je dat?
‘Ik probeer elk begrip de eerste keer dat ik het noem zo helder mogelijk uit te leggen. Als je al weet wat een symfonie is, lees je daar waarschijnlijk snel overheen. In de krant hebben we het ook altijd over ‘de Amerikaanse president Trump’, hoewel 99 procent van de lezers wel weet over wie we het hebben. Die toevoeging valt niemand op. Mijn bedoeling is overigens dat ook de nog niet ingevoerde lezer wat opsteekt zonder dat die het gevoel krijgt dat hij wat aan het leren is.’


Hoe kwam je op het zo hoogst originele idee om een introductie tot de klassieke muziek te maken? Gebeurt anders nooit.
‘In 2014 werd ik als redacteur van NRC Next gevraagd om een rubriek te maken over klassieke muziek voor een publiek dat er nog niets vanaf weet, met dank aan redacteur Peter van der Ploeg: Klassiek Met Kerkhof. Al na de eerste aflevering kreeg ik allerlei mails van uitgeverijen die daar een boek in zagen. Ik wilde geen bundel columns met een nietje erdoorheen. Vervolgens heb ik Alles begint bij Bach geschreven, dat verscheen in 2016.


‘In 2023 begon ik met een rubriek voor de Volkskrant, waar ik sinds 2016 werk, die De Klassieker heet en waarin ik steeds een componist introduceer aan de hand van drie stukken: wat maakt deze componist zo interessant? De reacties waren zeer positief. Zo bij aflevering 40 dacht ik: misschien is het toch de moeite waard om het uit te werken tot een boek, omdat de vorm onderscheidend is en ik wat nieuws te vertellen heb ten opzichte van Alles begint bij Bach, dat deze zomer dus tien jaar oud is. Ik heb al die afleveringen herzien en uitgebreid, want allemaal stukjes van 500 woorden achter elkaar, dat voelt wel heel kortademig. Aan de andere kant is De 82 ook niet per se een boek om lineair in een ruk uit te lezen. Als je het neerlegt om je te verliezen, zoals dat tegenwoordig heet, in een van die genoemde stukken, dan lijkt het me dat mijn opzet geslaagd is.’


In hoeverre sta je nog achter Alles begint bij Bach?
‘Daar staan enkele zeer goede zinnen in. Ook korte. Het boek werkt, het verkoopt nog steeds, eind vorig jaar kwam de achtste druk uit. Ik denk dat je een goed overzicht krijgt van wat muziekhistorisch gezien van belang is. Maar het is wel duidelijk mijn 28-jarige versie die tot je spreekt. Ik nam een iets te missionarisachtige houding aan die niet volkomen intrinsiek was. Het was niet mijn idee om die eerste rubriek te maken, laat staan het boek. Ik werd gevraagd en heb er iets leuks van gemaakt.’

 

Heel rijk van geworden ook.
‘Enorm. Het enige waar ik van baal, is de titel. Alles begint bij Bach, dat had gewoon Wat je moet weten over klassieke muziek moeten zijn, wat de ondertitel is. Als mensen me aanspreken over ‘je boek over Bach’, weet ik dat ze het niet hebben gelezen.’


Kun je de titel verklaren?
‘In 99 procent van de boeken over klassieke muziek ontbreekt de vraag hoe we aan klassieke muziek komen, alsof het allemaal uit de lucht is komen vallen in plaats van dat het een vrolijk construct is. Ik wilde vertellen hoe de vorming van de componistencanon samenging met de opkomst van het Duitse patriottisme en, uiteindelijk, de Duitse eenheidsstaat, wat de Teutoonse dominantie in de canon verklaart: ze hebben die shit uitgevonden en de rest van Europa mocht er wat tegenoverstellen. Bach was de eerste dode componist die echt op een voetstuk werd gezet. Enfin, lees maar.’


Wat is er zoal veranderd ten opzichte van tien jaar geleden?
‘Ik denk dat de toon die ik in Alles begint bij Bach aansloeg en de mate van toegankelijkheid nieuw waren. Elke generatie heeft zijn introducties tot de klassieke muziek gehad, maar ik vond die zonder uitzondering tuttig, belerend, saai of alle drie, en je merkt dat de auteurs zich toch nooit helemaal konden verplaatsen in iemand die er minder van weet. De afgelopen tien jaar is er veel veranderd in hoe klassieke muziek wordt gepresenteerd. Als ik nu naar NPO Klassiek (voorheen Radio 4, red.) luister, lijkt die handreikende attitude de norm. Als mensen vinden dat ik al door mijn knieën ga, vind ik dat grappig, want ik ben links en rechts ingehaald.


‘Maar de grootste verandering in de klassieke muziek is hoezeer identiteit, gender en afkomst een rol zijn gaan spelen in de aandacht voor componisten. Ik vind het ook triest dat we in de klassieke muziek geen equivalenten hebben van Virginia Woolf, Simone de Beauvoir of Emily Brontë. Ik zou heel graag mee willen juichen met alle herontdekkingen van vrouwelijke en kleurrijke componisten, maar als je doet alsof het oeuvre van Emilie Mayer – die zeker goede stukken heeft gemaakt – van een vergelijkbare orde is als dat van Johannes Brahms, houd je jezelf voor de gek.’


Nog even over titels: vanwaar De 82 componisten die je moet kennen?
‘Op internet struikel je over die clickbaitachtige vorm: ‘De zes plekken die je gezien moet hebben in’, ‘De zeven gerechten die je moet uitproberen’, et cetera. Dus het leek me wel leuk om tot 82 te gaan. Voorts is het een mooi getal. Bovendien, je moet ergens stoppen. Hoelang duurt dit interview eigenlijk nog?’


Maarten ’t Hart vond de titel erg dwingend.
‘En hij klaagde dat er componisten niet in stonden die hij al kende. Verder was hij wel enthousiast.’


Terecht.
‘Ja, dank. Ik wist natuurlijk: welke selectie je ook maakt, er gaan mensen klagen dat die en die er niet in staan. Maar als ik was gegaan voor de 82 bekendste componisten volgens ChatGPT, dan had ik minder lezers verrast. En er staan heel wat componisten in het boek die meer waardering verdienen. Dan besteed ik liever aandacht aan Robert Heppener dan aan Richard Strauss. En omdat ik erg gesteld ben op muziek uit de Renaissance, heb ik ten opzichte van de meeste introducties-tot-klassiek meer aandacht voor de echte oudjes. Het 19de-eeuwse feestje wordt voldoende gevierd.’


Van welke componist vind je het het pijnlijkst dat hij of zij de 82 niet heeft gehaald?
‘Henry Purcell. Radiopresentator Hans Haffmans zei meteen: hoe kan het dat Purcell ontbreekt? Ik ben eigenlijk pas recent in Purcells gewijde oeuvre gedoken, hij heeft nog veel meer meesterwerken gemaakt dan waar ik mij van bewust was. Maar goed, Ockeghem en Lassus staan er ook niet in, en daar begint niemand over. Het stelt me teleur als de Maartens ’t Harts gaan klagen over het ontbreken van Prokofjev terwijl ook iemand als Ockeghem ontbreekt.’


Klassiekemuziekliefhebbers klagen nogal vaak hè?
‘Recensenten zijn over het algemeen heel aardig vergeleken bij de gewone liefhebber. Het hoort bij het cultuurtje om te zeiken op alles. Ga naar de Matthäus-Passion en na afloop hoor je ze in de foyer een soort afvinken: de Evangelist viel tegen, de alt kon ermee door, de gambasolist had geen gelakte schoenen, blablabla. Hoe houd ik het als recensent eigenlijk vol tussen die lui?’


Welke stukjes in De 82 vind je zelf het meest geslaagd?
‘Hoe verder je in het boek komt, hoe leuker de hoofdstukken zijn. Dan heb ik alle belangrijke begrippen wel uitgelegd (er staat ook een begrippenlijst achterin het boek, red.) en alle invalshoeken gehad waar ik niet omheen kon, dan is er ruimte voor meer creativiteit. Mijn favoriete stukjes zijn denk ik die over Berlioz, Victoria en Arvo Pärt.’


Zie je jezelf als redder van de klassieke muziek?
‘Quod non. Dit boek is service aan wie het wil lezen, het is, hopelijk, vermakelijk. Ik vind het leuk om mijn medemens kennis te laten maken met levensveranderend goede muziek. Ik heb geen enkele pretentie, behalve misschien dat ik de beste boeken maak in hun soort.’


In een essay in een opinieblad werd je popie-jopie-taal verweten.
‘De auteur citeert dan, over Tsjaikovski, het zinnetje ‘Hoe, Pjotr, hóé kreeg je het voor elkaar?’. Daarover mekkeren is alsof je Bartók niet alleen verwijt dat hij in zijn Concert voor orkest een stukje uit de Leningradsymfonie citeert, maar doet alsof dat thema Bartóks taal is in plaats van die van Sjostakovitsj. Je weet dat als je je van ironie, sarcasme of parodie bedient, niet iedereen je zal begrijpen – dat hoort bij het spel. Maar als mensen die zelf schrijven zo’n moeite blijken te hebben met het signaleren van stijlfiguren, denk ik: ga vingerverven. Het is me al vaker opgevallen: veel schrijvers zijn niet de beste lezers, die zijn te druk met zichzelf.


‘In mijn stukken zitten altijd elementen waarvan ik weet dat de meerderheid ze niet zal opmerken. Maar als één iemand bij het lezen zijn koffie uitspuugt, is het de moeite waard geweest. Ik heb beslist een publiek voor ogen, maar uiteindelijk schrijf ik voor mezelf.’


En je bankrekening.
‘En mijn bankrekening.’


Wie is eigenlijk die mysterieuze ‘een bevriend pianist’ die je telkens opvoert?
‘Zeg ik niet.’


Ok. Wat houdt je bezig?
‘Op dit moment een aantal kwesties. Als iemand in Congo geboren is, waarom schrijven we dan in de krant ‘de geboren Congolees’? Nogal wiedes dat-ie is geboren. En laatst was het Internationale Vrouwendag. Dan denk ik: waarom alleen voor de internationale?


‘Verder ben ik aan het ontidentiteiten. Overal waar ik kom moet ik me zien te verhouden tot de ander. Hoeveel makkelijker zou het niet voor mij zijn als ik niet zoveel mens was? Ik tors kilo’s aan eigenschappen met mij mee. Wil ik mij als een mereltje door de maatschappij voortbewegen, dan zullen mijn eigenschappen moeten afvallen. Is identitaire lobotomie de snelste weg naar geluk? Zeg het maar.’


Begrijp ik dat je jezelf een buitenstaander voelt?
‘Dat begrijp jij goed, Bibeb. In veel gevallen voel ik mij een buitenstaander. Als ik de regio Rijnmond binnenrijd, voel ik mij dat in aanzienlijk mindere mate. In Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen kom ik op adem. Daar hoef je kritiek niet in retorische vragen en dubbele ontkenningen te verpakken, met een neppe glimlach in te leiden en met een meervoud aan complimentjes te compenseren. Als je een keer iets zegt wat iemand boos maakt, hoef je het niet een week later uit te praten. Het scheelt belachelijk veel kostbare tijd om onder Rijnmonders te zijn, maar ja, I’m stuck in a yuppenwijk, een reservaat voor academisch geschoolden, en ik zou ook niet 365 dagen per jaar kunnen doen alsof ik daar niet gewoon tussen hoor.’


In de krant werd laatst iemand uit Vlaardingen, jouw geboorteplaats, geschetst. De vrouw zou ‘een Rotterdams accent’ hebben. Wat ging er door je heen?
‘Goed dat je het vraagt. Als mensen in Utrecht informeren naar waar ik vandaan kom, zeg ik meestal Rotterdam, omdat het topografieonderwijs al jaren te wensen overlaat en op landkaarten de ‘R’ doorgaans boven Vlaardings grondgebied begint. Mijn vader is geboren in de eerste wederopbouwflat van Rotterdam, met op het dak de trotse letters ‘WERELDHAVEN’. Ik voel me thuis van Maassluis-West tot het Oostplein. Enfin. Vlaardingen is een veel oudere stad dan Rotterdam, een speeltuin voor archeologen, en voor de kenner van tongvallen is er meer dan voldoende verschil waar te nemen. Om een voorbeeld te geven: een paar jaar geleden vond mijn vader een filmpje terug van de Kerstviering op de Krentemik, mijn kinderdagverblijf. Alle kindjes zongen O denneboom als Au dennebaum. De o-klank in het Vlaardings neigt iets meer naar de o zoals die bekend is uit het Haags, maar is ook weer niet hetzelfde. In het Rotterdams hoor je bij de o meer een verkleuring naar de eu-klank, gevolgd door een dikke, maar luie w: ‘oooowwhh’. Er is wat het Rotterdams betreft ook een enorme discrepantie tussen het daadwerkelijke, authentieke accent en hoe dit op het toneel en op televisie wordt gebracht. De natte t wordt stelselmatig overdreven en het is niet echt zo dat iedereen een t plakt achter elk zelfstandig naamwoord. Al is het wel zo dat mensen zich ernaar gaan gedragen, zo gaan praten omdát ze die Rotterdamse identiteit zo koesteren. Ik kan me daar goed in verplaatsen. Als ik nu in de Rijnmond kom, praat ik overdreven Vlaardings of Rotterdams, wat ik als kind absoluut niet deed. Een gevoel van bevrijding maakt zich dan van mij meester, ik ga helemaal los. Ik weet nog dat in groep 2 Sanne Mastwijk het had over ‘een kroowzantje’ (een croissant, red.). Ik dacht: San, waar heb jij het nou over? Maar nu zeg ik ook kroowzantje als ik in Rotterdam ben. Laatst heb ik op de Karel Doormanstraat speciaal een marsepeinen pistachetaartje aangewezen, want ik wist wat die vrouw ging zeggen: ‘De pies-tas?’ Mijn hart vulde zich met vreugde, tot tranen geroerd, alles.’


Wat is de mooiste taal?
‘Kijk, het Italiaans heeft het woord piacevolezza, het Frans malheureusement, het Hongaars heeft kőszenefőtrók. Wij daarentegen hebben het woord wederkerigheid, en, nog fraaier, gewetenswroeging. Daarmee is de superioriteit van de Nederlandse taal afdoende aangetoond.’


Hoe zou je favoriete Feyenoord-elftal aller tijden eruitzien?
Haben Sie eine Stunde?’ Kerkhof nipt wat van zijn cappuccino, daar sta je dan, in de verte blaft een hond. ‘Ik wil me beperken tot spelers vanaf het moment dat ik Feyenoord volg, dat wil zeggen 1995, tot heden, ok? Ik kies dan voor spelers zo goed als ze waren in hun tijd bij Feyenoord, wat het iets draaglijker maakt om Roy Makaay en Henrik Larsson te passeren, die respectievelijk vroeger en later hebben gepiekt.

‘Dus om de kwartfinale van de Champions League te bereiken, zou ik kiezen voor: Dudek; Van Gobbel, Koeman, Hancko, Van Bronckhorst; Bosvelt, Ono, Tomasson; Kuijt, Van Hooijdonk, Van Persie. Dan word je elk jaar fluitend kampioen, echter, dan zou Feyenoord Feyenoord niet meer zijn, wat drastische gevolgen zou hebben voor het Rotterdamse zelfbeeld. Veel liever zou ik daarom gaan voor nostalgische karaktervoetballers: De Goeij; Geertruida, De Wolf, Trauner, Patricio Graff; Wieffer, Van Gastel, Pablo ‘Vitamina’ Sánchez; Taument, Dessers, Paixão.’