MERLIJN INTERVIEWT MERLIJN

'IK ZOU IETS MEER ALS EEN VARKENTJE MOETEN ZIJN'


Alles begint bij Bach is nu bijna een maand uit. Tijd om de maker eens aan de tand te laten voelen – door hemzelf. Over de dilemmas bij het schrijven en waarom dit boek er is. We moeten voorkomen dat er een nieuwe Halbe Zijlstra komt.


10 oktober 2016 – Het is kwart over tien ’s ochtends en Merlijn Kerkhof, auteur van het volgens De Telegraaf ‘broodnodige’ (echt waar) boek Alles begint bij Bach, ligt op zijn chaise longue in zijn appartement in de binnenstad van Utrecht. Het is er licht en de vloer zou baat hebben bij een stofzuigsessie, maar Merlijn en zijn vriendin maken alleen schoon als het echt nodig is. Later in het gesprek zegt hij dat hij zijn vriendin (een altvioolmeisje met goudblonde haren, blauwe ogen en van die grote, krullende wimpers) heeft beloofd een huishoudhulp in te huren als er 7.000 boeken zijn verkocht.

Merlijn draait de Symphonie fantastique van Hector Berlioz, de nieuwe cd van het Concertgebouworkest, gekregen van zijn oom op de boekpresentatie op 14 september, terwijl het carillon van de Dom klingelt. Dat doet het ieder kwartier, dag en nacht; mensen zeiden dat het wel zou wennen maar dat was een leugen. Hij loopt naar de cd-speler om op de pauzeknop te drukken – Berlioz en de Dom gaan niet samen. Als het deuntje afgelopen is, drukt hij weer op play.

‘Ik hou enorm van de klank van al die klokken’, zegt Merlijn, die vandaag door zichzelf wordt geïnterviewd omdat het kan. ‘Zondagochtend: dan zit je middenin een geweldige soundscape. Dan ga ik op mijn dakterras staan en ben ik zielsgelukkig. Ook het carillon vind ik prachtig, maar de automatische bespeling komt me echt mijn neus uit. Vier keer per uur hoor je een melodietje, en omdat de beiaardier maar drie of vier keer per jaar andere melodietjes op de speeltrommel zet, hoor je eindeloos hetzelfde. Het worden oorwurmen die alle andere muziek uit je hoofd verdrijven.’

Op het bijzettafeltje staat een kommetje pitloze witte druiven. Ze blijven gedurende de hele interne dialoog onaangeroerd. ‘Fruit eten, daar doe ik zo min mogelijk aan.’   


Ter zake. Wat is je lievelingsdier?

‘De big.’


Why?

‘Varkentjes vertederen, tenzij je ze gruwelijk veel eten geeft. Ze zijn bijzonder intelligent. Kleine biggetjes kunnen heel grappig rennen en glijden dan met hun hoefjes uit over gladde vloeren. Ze zijn op een leuke manier onvoorspelbaar en kunnen heel goed ontspannen. Wat dat betreft zou ik iets meer als een varkentje moeten zijn. Toen ik eens somber was, heb ik me op Facebook aangemeld voor allerlei mini-varkentjes-groepen, dus nu krijg ik continu filmpjes van die geweldige diertjes in mijn feed. Mijn favoriete filmpje is deze ontmoeting tussen een schildpad en een big (en wat er dan gebeurt, zal je verbazen).’

    

Eet je wel varkensvlees?

‘Ik heb geprobeerd om varkitariër te worden, maar dat hield ik twee dagen vol en toen zat ik alweer aan de moksi meti.’

   

Oké. Je boek. Je schrijft: ‘Het publiek dat op klassieke muziek afkomt is vijftig tinten grijs. Blank, hoogopgeleid, maar vooral: oud. Hoe vaak heb ik niet meegemaakt dat ik de jongste was in de zaal? Ik ben negenentwintig op het moment dat ik dit schrijf – zo jong is dat nou ook weer niet.’ Is het echt zo erg?

‘Ja en nee.’


Leg uit.

‘Ik merk dat veel van mijn generatiegenoten wel open staan voor klassieke muziek. Ik zie aan de Spotify-playlists van vrienden dat ze het ene moment Chopin en vervolgens weer naar hiphop luisteren: het een sluit het ander niet uit. Daarnaast zijn er allerlei initiatieven om jonger publiek te trekken. Soms lukt dat heel goed. Zo hebben het Concertgebouw en het Concertgebouworkest bijvoorbeeld een uitstekende jongerenvereniging, Entrée; je kunt tot je 35ste voor een habbekrats naar concerten. Bij de concerten die Entrée aanprijst, zie je meestal een heel goede vertegenwoordig van twintigers. Maar als ik in de kleine zaal van het Concertgebouw kom of als ik naar concerten ga in wat sommige Randstedelingen “de provincie” noemen, is het vaak een heel ander verhaal. Gisteren was ik naar Beethovens Missa solemnis met het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam in De Vereeniging in Nijmegen. De zaal zat half vol en behalve mijn vriendin zag ik maar één iemand die ongeveer van mijn leeftijd was.’


Je schrijft dat je je weleens een curiositeit voelt omdat je het leeftijdsgemiddelde omlaag haalt.

‘Ja. Ik was een jaar of drie geleden eens bij een concert in Utrecht. Oude muziek. Na afloop komt er een vrouw naar me toe, ik schat rond de zestig. Ze tikt me aan en vraagt vol verwachting: wat vond jij er nou van, als jongere? De programmatoelichting die ze in haar hand had, had ik geschreven.’


Vind je het vervelend dat de medebezoekers in de concertzalen ouder zijn?

‘Nee! Ik zit er voor mezelf. Je gaat een uur of twee uur soms op in de muziek. Als die goed is, denk je niet aan de mensen om je heen.’


Waarom wil je dan zo graag jongeren aansporen om naar de concertzaal te gaan? Die is toch nooit het domein geweest van jongeren?

‘Dat is waar, maar de jongeren van nu zijn de potentiële concertbezoekers van de toekomst – en ook de beleidsbepalers trouwens. Nederland vergrijst en dus vergrijzen de concertzalen ook. Bovendien is er de afgelopen decennia minder aandacht geweest voor muziekonderwijs en nu merken we wat de gevolgen zijn. Voor mij is klassieke muziek een van de dingen die het leven de moeite waard maken, de muziek is mijn hersenvoedsel, ze geeft me rust én energie. Ik wil iedereen helpen de weg naar die mooie muziek te vinden. Als een zaal niet vol zit terwijl er heel bijzondere muziek wordt gespeeld, vind ik dat gewoon klote.’


Ben je bang dat de klassiekemuziektraditie uitsterft?

‘Nee, maar ik ben wel bang dat het aanbod verschraalt en dat het niveau onder druk komt te staan. Daarom zou iedereen met een hart voor klassieke muziek anderen duidelijk moeten maken waarom ze de moeite waard is. We moeten voorkomen dat er een nieuwe Halbe Zijlstra komt die zonder kennis van zaken even allemaal culturele instellingen de nek omdraait.’


Is het boek nou specifiek bedoeld voor jongeren of niet?

‘Nee, nee. Klassieke muziek is voor iedereen en dat is dit boek ook. Al is het wel zo dat mijn ijk-lezer, degene die ik in mijn hoofd had toen ik dit schreef, zo rond de 25 was. Een geïnteresseerde leek wiens aandacht je vast moet houden, maar die je niet moet onderschatten. Ik wilde een boek maken over klassieke muziek dat je kunt begrijpen zonder over voorkennis te beschikken. Trouwens, ik denk dat het vanzelfsprekend is dat je als schrijver sneller lezers van je eigen generatie aanspreekt. Waarschijnlijk heb ik het eerste boek over klassieke muziek gemaakt waarin het nummer Scatman’s World van Scatman John wordt genoemd, ik betrek het in mijn analyse van de Canon van Pachelbel. Scatman: die ken je alleen als je in de jaren negentig bent opgegroeid. Maar voor de rest is het geheel vijftigplusserproof.’


Het is dus een boek voor beginners van alle leeftijden?

‘In principe wel, het is een inleiding, maar ik denk dat het boek ook leuk om te lezen is voor mensen die al naar klassieke muziek luisteren. In het eerste hoofdstuk, Voorlichting voor klassiekemuziekmaagden, leg ik bijvoorbeeld uit wat er allemaal tijdens een concert gebeurt. Als nieuweling denk je: oké, zo werkt het dus. Als je al klassieke concerten bezoekt, zul je het anders lezen. Je neemt als ingewijde een stap terug en kijkt met een afstand naar het gebeuren. Ik stel de concertpraktijk en etiquette eromheen ter discussie. Hoe is het zo gekomen dat we niet klappen tussen de delen van een stuk en waarom zouden we ons nu nog aan zo’n ongeschreven regel houden? Ik maak in mijn boek duidelijk dat onze hele muziekcultuur en onze canon constructies zijn, die niet eens zo oud zijn als weleens wordt gedacht. En met ieder hoofdstuk voer ik het niveau wat op.’


Je verklaart ook waarom zoveel van die beroemde componisten Duits zijn.

‘Ook dat is zo’n hoofdstuk waarvan ik denk: dit moeten mensen die al overtuigd zijn van de schoonheid van de klassieke muziek óók lezen. De hele vorming van de canon van de grote componisten in de negentiende eeuw, viel samen met de opkomst van het Duits nationaal bewustzijn. De Duitsers canoniseerden hun grote componisten – als eerste natuurlijk Johann Sebastian Bach – en vervolgens stelden andere Europese volkeren daar hun eigen grote componisten tegenover. Klassieke muziek is dus een bijproduct van het nationalisme.’


Je bent zelf muziekrecensent voor een krant. Waar zouden recensenten over kunnen vallen als ze jouw boek bespreken?

‘Waarom geef je Felix Mendelssohn wel een eigen hoofdstuk en Mozart niet? Waarom krijgt Sjostakovitsj een eigen hoofdstuk en Bartók niet, terwijl zijn muziek toch bepaald niet minder interessant is? Ja, als je mij vraagt welke van die twee je muzikaal interessanter vindt, zeg ik ook Bartók, maar ik denk dat het verhaal van Sjostakovitsj – hoe zijn muziek verweven is met de Koude Oorlog en hoe we ons in ons luistergedrag laten leiden door historische gebeurtenissen – relevanter is voor beginnende luisteraars. Sjostakovitsj wordt in Nederland ook vaker gespeeld. En wat Mozart betreft: die komt in veel verschillende hoofdstukken langs. Ik had geen zin om weer dat verhaal op te lepelen over het ex-kindsterretje dat in de anale fase was blijven hangen. Dan vertel ik liever hoe die klassiekemuziektraditie is ontstaan, en Mendelssohn speelt daarin een zeer belangrijke rol.’


Ik had verwacht dat je iets zou zeggen over Richard Wagner.

‘O, ja! Ik schrijf over de liefde van Adolf Hitler voor Wagners muziek. De componist werd in de nazitijd geadoreerd; al was hij al lang dood, hij was overal. Door Wagners antisemitisme en de postume connotatie met de nazi’s hebben veel mensen nog altijd moeite met zijn muziek. Toen bij de Oscars in 2016 de Walkürenritt werd gedraaid nadat de Holocaust-film Son of Saul met een Oscar was bekroond, leidde dat tot hoon op de sociale media. In Israël wordt hij nog steeds zelden gespeeld. In de conclusie van dat hoofdstuk pleit ik ervoor de kunst van haar maker te scheiden: hij mocht dan wel abjecte ideeën hebben, hij was geen nazi en zijn noten zijn onschuldig. Maar ja, als ik over de nazi-geschiedenis vertel, heeft dat wel degelijk invloed op hoe je naar die muziek luistert. Aan de andere kant: als ik niet zou vertellen over Wagners antisemitisme en hoe zijn nageslacht Hitler steunde, zou ik belangrijke informatie achterhouden. Zou je dan achter deze geschiedenis komen, dan heb je toch het gevoel van: die dekselse Merlijn heeft me voor de gek gehouden.’


Zijn er nog meer van zulke kwesties?

‘Je wordt als je een boek schrijft geconfronteerd met lastige dilemma’s. Zo schrijf ik in het hoofdstuk De componist achter het aanrecht over het trieste lot van vrouwelijke componisten. Eigenlijk zijn er amper stukken van vrouwen in de canon, zelfs eigentijdse componistes zijn ondervertegenwoordigd. Dat hoofdstuk is een pleidooi om naar vrouwen te luisteren. Maar bewijs je hen dan een dienst door ze in één hoofdstuk samen te bespreken? Dan blijft het een soort getto. Ik heb nog overwogen om in de daaropvolgende hoofdstukken te zorgen dat er stukken van vrouwen tussen zaten, maar ik heb er uiteindelijk voor gekozen om dat niet te doen. Als je acht baanbrekende werken uit de eerste helft van de twintigste eeuw kan noemen en er moet per se iets tussen van een vrouw, dan hou je de lezer ook een beetje voor de gek, want er zijn nu eenmaal veel meer composities van mannen; vrouwen werden tot in de twintigste eeuw simpelweg niet geacht te componeren. Je zou in dat geval een erkend meesterwerk slachtofferen voor iets onbekends. Ik heb al zoveel meesterwerken niet genoemd.’


Welke meesterwerken komen dan niet voor in Alles begint bij Bach?

‘Ik schrijf in de inleiding al: het boek is geen complete muziekgeschiedenis, het is een inleiding, en ik wilde het overzichtelijk houden – te veel titels en namen, dat leidt af, al heb ik wel wat extra stukken in de luisterlijsten op Spotify gestopt. Maar om antwoord te geven op je vraag: ik noem bijvoorbeeld Bachs Kunst der Fuge, Mozarts Jupitersymfonie en Haydns oratorium Die Schöpfung niet. De mis van Frank Martin had ik willen noemen, maar ben ik domweg vergeten – misschien kan ik dat rechtzetten in de derde druk. Ook wat populaire stukken heb ik achterwege gelaten, zoals Samuel Barbers Adagio for Strings. Edgard Varèse viel buiten de boot en in de eigentijdse muziek had ik misschien wat meer aandacht kunnen besteden aan componisten die met elektronica hebben gewerkt. Luigi Nono, Jonathan Harvey. En George Crumb ontbreekt, wel met pijn in het hart, want hij is echt een fantastische componist.’


Het gaat goed met het boek. Al een week na verschijning werd de tweede druk in gang gezet, er is veel media-aandacht, het werd getipt in de NRC, het AD en kreeg vier sterren in De Telegraaf. Wat kun je je nog meer wensen?

‘Ik hoop heel erg dat het boek ook wordt opgepikt door scholen. Daarom was ik ook blij dat Elsbeth Etty in NRC schreef dat het ook geschikt is bij muzieklessen. Ik kom met alle plezier overal in Nederland en Vlaanderen en waar dan ook ter wereld langs om mijn liefde voor de muziek over te dragen.


Wat ga je doen nu Alles begint bij Bach uit is?

‘De presentatie was nog geen maand geleden en ik leef nog altijd in een roes. De presentatie was zó mooi. De grote zaal van TivoliVredenburg, er waren 250 mensen, terwijl het buiten 32 graden was en ik op ongeveer 100 man had gerekend. Ik zit nog vol adrenaline en het lukt nauwelijks me te concentreren. Maar over een maandje sluit ik me weer een jaar op in de universiteitsbibliotheek en ga ik vrolijk verder en werken aan een volgend boek. Misschien moet ik eens iets doen met varkentjes.’